Archief | mei 2013

Bremer Stadsmuzikanten

Er was eens een oude ezel die zijn leven lang voor een molenaar had gewerkt. De molenaar zei: ‘Ezel, het wordt tijd dat ik jou vervang voor een fris, jong ezeltje!’ De ezel dacht: ‘Ik kan best nog wel iets hoor! Weet je wat, ik vertrek naar Bremen om stadsmuzikant te worden.’

Onderweg ontmoette hij een bruine jachthond die enorm lag te hijgen langs de weg. ‘Wat is er met jou gebeurd?’ vroeg de ezel. ‘Ik moest vluchten’, antwoordde de hond. ‘Ik ben te oud geworden om achter de hazen aan te rennen. Nu wilde mijn baas van me af, maar ik ben er op tijd vandoor gegaan.’ ‘Mijn baas vond me ook te oud, ga met mij mee, ik ben op weg naar Bremen om stadsmuzikant te worden’, zei de ezel. En samen trokken de ezel en de hond verder. Even later zagen ze een zwarte kat zitten, die er niet erg vrolijk uitzag. ‘Ik ben het huis uitgevlucht’, zei de kat. ‘Ik had een heerlijk leventje, maar nu ik niet snel genoeg meer ben om muizen te vangen, wil mijn bazin me kwijt!’ ‘Katten kunnen ’s nachts toch prachtige muziek maken? Ga mee naar Bremen. Met zijn drieën zijn we een geweldig orkest!’, zei de ezel. En zo waren er dus drie dieren op weg naar Bremen. Verderop zat een bontgekleurde haan te kraaien op het hek van een grote boerderij. ‘Kukelekuu…Ik hoorde de boerin zeggen dat ze morgen gasten te eten krijgt. Nu wil ze me in de soep doen. ‘Ga toch met ons mee’, zei de ezel. Nu waren ze met zijn vieren. Ze trokken verder en zongen onderweg een lied:

We zijn al oud maar niet versleten Een ezel, een hond, een kat en een haan En wie het vraagt die mag het weten: Wij kunnen samen de wereld aan!

Bremen bleek verder te zijn dan ze dachten. In een donker bos hielden ze halt voor de nacht bij een klein boshuisje. De ezel gluurde voorzichtig naar binnen. ‘Oei, het is een echt rovershol!’ fluisterde hij tegen de anderen. ‘Ik zie drie rovers. Ze zitten te drinken aan een tafel die vol staat met lekkere dingen.’ ‘Wij lusten ook wel iets,‘ sprak de haan, ‘maar hoe pakken we dat aan?’ ‘We zullen ze laten schrikken’, zei de ezel. ‘Ik heb een idee!’ Hij legde de anderen zijn plannetje uit en even later sprong de hond op zijn rug. De kat ging op zijn beurt op de rug van de hond staan en de haan fladderde omhoog, om helemaal bovenop te gaan zitten. Zo vormden ze een toren van dieren. Dat zag er raar uit in het donker! ’En allemaal zingen’, zei de ezel. De drie rovers schrokken vreselijk van het lawaai en van die grote, donkere gestalte die plotseling naar binnen denderde. Over elkaar heen struikelend, vluchtten ze het huis uit, want ze dachten dat er een verschrikkelijke bosgeest binnenkwam. De vier vrienden gingen aan tafel zitten en lieten het eten zich prima smaken. Na de maaltijd voelden ze pas hoe moe ze eigenlijk waren. Ieder vond een slaapplek die bij hem paste en ze sliepen snel in. Intussen waren de drie rovers weer een beetje op adem gekomen. De hoofdman sprak: ‘Ik weet niet wat dat zojuist was, maar het licht in ons huis is nu uit. En omdat jullie zulke bangerds zijn, zal ik zelf eens kijken of de kust veilig is.’ De roverhoofdman sloop naar het huisje en glipte naar binnen. Alles leek rustig. Toen hij licht wilde maken, zag hij de vurige ogen van de kat, die gloeiden in het donker. De hoofdman dacht dat het brandende kooltjes waren en hield er een lucifer bij. De kat schrok, blies venijnig en krabde de hoofdman in zijn gezicht. Oei, wat schrok die roverhoofdman! Hij rende naar de deur, maar trapte in het donker op de staart van de slapende hond. Die beet hem meteen hard in zijn been!‘Auwauw!’ gilde de man en hij hinkte naar buiten. Daar stond de ezel al klaar en die schopte hem met zijn harde hoeven onder zijn achterwerk. De haan werd wakker van al dat lawaai en kraaide: ‘Kukeleku! Kukeleku!’ terwijl de rover het erf afrende.

Zo hard hij kon, liep hij naar zijn mannen en buiten adem vertelde hij: ‘Mij krijgen ze daar niet meer binnen. Er woont een afschuwelijke heks die me met haar lange nagels heeft gekrabd. Voor de deur staat een man die me heeft gestoken. En buiten op het erf woont een zwart monster dat mij met een knuppel heeft afgeranseld!’ ‘Brrrrr!’ De andere rovers beefden van angst en renden hard weg. De rovers hebben zich niet meer laten zien en het huisje beviel de Bremer Stadsmuzikanten zo goed, dat ze het raam repareerden en er nooit meer zijn weggegaan.

http://www.efteling.com/NL/Over-de-Efteling/Sprookjes-bestaan/Efteldingen-Sprookjes/Lees-hier-alle-Sprookjes/Bremer-Stadsmuzikanten.html

Advertenties