Archief

Assepoester

Er was eens een lieve vrouw die een al net zo lieve dochter had. Helaas werd de vrouw zó ziek dat ze stierf. Vlak daarvoor zei ze nog tegen haar dochter: ‘Ik zal gauw doodgaan, kind. Beloof je me dat je altijd goed probeert te leven? Dan zal het leven ook goed zijn voor jou.’ Natuurlijk beloofde het meisje dat.

Ze bleef alleen achter met haar vader, die al snel met een andere vrouw trouwde. Deze vrouw en haar twee dochters waren heel onaardig. Het meisje moest heel hard werken en sliep op de keukenvloer bij de open haard, waar altijd veel stof en as lag. Daarom noemden ze haar Assepoester.

Assepoester kookte, waste, schrobde en boende, maar ze deed het allemaal zonder mopperen. Als ik goed probeer te leven, is het leven ook goed voor mij, dacht ze. Op een dag stond er een boodschapper van de koning op het plein voor het huis. ‘Zaterdag is er een groot bal in het paleis!’ riep hij. ‘De prins wil een mooi meisje kiezen om mee te trouwen. Komt allen!’

De twee stiefzussen waren dagenlang bezig om zich zo mooi mogelijk te maken voor het bal en Assepoester hielp hen daarbij. Zelf wilde ze ook graag naar het feest, maar toen ze vroeg of ze mee mocht werd ze uitgelachen door haar stiefmoeder en haar zussen. Een prachtige koets bracht hen naar het bal en Assepoester ging verdrietig in de tuin zitten. Plotseling daalden er twinkelende sterretjes op haar neer. Als bij toverslag veranderde Assepoesters vieze rok in een prachtige gouden jurk en aan haar voetjes verschenen sierlijke glazen muiltjes. Een gouden koets met paarden stond op haar te wachten.

Opeens hoorde Assepoester de stem van haar eigen moeder, die zei: ‘Tijd om naar het feest te gaan, mijn kind. Maar pas op: als de klok om middernacht voor de twaalfde keer slaat, wordt de betovering verbroken. Zorg dus dat je op tijd weer thuis bent. ’Toen ze de balzaal van het paleis binnenkwam verstomde de muziek en keek iedereen naar haar. Wie was dit mooie meisje? De prins danste de hele avond met Assepoester tot plotseling de paleisklok sloeg. Assepoester schrok en herinnerde zich dat de betovering gauw verbroken zou worden. Ze maakte zich los uit de armen van de prins en holde de hoge paleistrappen af. Daarbij verloor ze een muiltje. Toen sprong ze in de gouden koets en wég was ze. Net op tijd.

Een paar dagen later verscheen opnieuw een boodschapper op het plein. Naast hem zat de prins op een prachtig wit paard. Hij droeg een kussentje met daarop een glazen schoentje. De boodschapper riep met luide stem: ‘De prins is op zoek naar het meisje van zijn dromen! En dat is het meisje dat dit schoentje precies past!’ Alle meisjes probeerden het, maar hoe ze ook wrikten en wrongen, het sierlijke schoentje was zó klein dat het niemand paste. Toen klonk er een zachte stem: ‘Mag ik ook even passen?’

Iedereen keek op. Daar stond Assepoester, in haar oude kleren. Het glazen muiltje paste haar perfect. Meteen veranderde haar rok weer in de schitterende gouden jurk! Vol verbazing keek de stiefmoeder toe en de stiefzussen zagen groen van jaloezie. De prins tilde Assepoester op zijn paard. ‘Jij zult mijn bruid zijn,’ zei hij zacht. Van blijdschap moest Assepoester lachen en huilen tegelijk. Nu wist ze dat ze met de prins ging trouwen en in het paleis zou gaan wonen. Want als je goed probeert te leven zal het leven ook goed zijn voor jou.

En samen met haar prins leefde ze nog lang en gelukkig.

Bruidskleed van Genoveva

Prins Arthur ging trouwen met mooie prinses Genoveva. De prins wilde dat haar bruidjapon net zo mooi zou zijn als haar naam. Lang voor de huwelijksdag spraken ze al over de kleuren.

‘Kijk,’ zei de prins, wanneer ze gingen wandelen, ‘met dat geel van de boterbloemen en dat blauw van de korenbloemen.’ De prinses lachte. ‘En het rood van de klaprozen en dat roze van die bloemen en dat mooie groen van de struiken.’

In het land van Prins Arthur woonde een oude vrouw. Zij was de beste weefster van het hele land. Alleen zij zou het bruidkleed van de prinses kunnen maken. Prins Arthur vertelde haar dat hij het allermooiste kleed wilde bestellen. Toen hij uitgepraat was, bleef het stil. De oude vrouw wees naar haar ogen… zij was blind en uit haar ogen vielen tranen. ‘Mijn handen kunnen het wel,’ zei ze, ‘maar … ik kan de kleuren niet meer zien.’ De prins ging bedroefd terug naar zijn paleis terwijl de oude vrouw haar duiven voerde. Ze aten uit haar hand. ‘Wat erg dat mijn ogen niet meer kunnen helpen om het bruidskleed te maken’, sprak de vrouw verdrietig. De duiven vlogen terug naar de bomen maar die avond koerden ze nog lang na tot de uil zei: ‘Domoren, jullie kennen de kleuren toch? Kunnen jullie niet iets terug doen voor de oude vrouw?’

De volgende morgen zat de oude weefster treurig voor haar weefgetouw. Ineens kwam er een duif door het open raam gevlogen. Hij drukte zijn kopje tegen haar hand. Alle duiven waren in haar kamertje gekomen.‘Wist ik nu maar wat groen was’, zuchtte ze en meteen voelde ze dat een snaveltje haar een streng zijde tussen de vingers duwde. De weefster voelde hoe het werk tintelde in haar vingers en weldra begon ze te weven. De duiven vlogen de hele dag af en aan. En het oude vrouwtje was gelukkig. Vele dagen ging ze aan de slag.

Op een middag was de laatste draad geweven. Met een zucht van blijdschap schreef de oude vrouw een briefje aan de prins. Eén van de duiven nam het briefje in zijn snavel en vloog naar het paleis. De prins kwam zo vlug hij kon, en hij wist van bewondering niet wat hij zeggen moest. Alle kleuren van álle bloemen die ze gekozen hadden, lagen daar tezamen. Het leek wel een jurk uit het paradijs. Hij omhelsde de oude weefster, maar deze zei: ‘Roept u de duiven maar, zonder hen had ik dit werk nóóit kunnen doen.’

De prins klapte in zijn handen. De duiven kwamen aanvliegen en de prins keek zijn ogen uit. De duiven hadden zo vaak en diep in de strengen gewoeld dat ze de mooie kleuren van bloemen hadden gekregen. Omdat het werk gedaan was, kun je de gekleurde duiven nu zien in de Efteling. Wanneer je dan je ogen dichtdoet, kun je bedenken hoe mooi het bruidskleed was van de prins en prinses Genoveva.

http://www.efteling.com/NL/Over-de-Efteling/Sprookjes-bestaan/Efteldingen-Sprookjes/Lees-hier-alle-Sprookjes/Bruidskleed-van-Genoveva.html

 

Bremer Stadsmuzikanten

Er was eens een oude ezel die zijn leven lang voor een molenaar had gewerkt. De molenaar zei: ‘Ezel, het wordt tijd dat ik jou vervang voor een fris, jong ezeltje!’ De ezel dacht: ‘Ik kan best nog wel iets hoor! Weet je wat, ik vertrek naar Bremen om stadsmuzikant te worden.’

Onderweg ontmoette hij een bruine jachthond die enorm lag te hijgen langs de weg. ‘Wat is er met jou gebeurd?’ vroeg de ezel. ‘Ik moest vluchten’, antwoordde de hond. ‘Ik ben te oud geworden om achter de hazen aan te rennen. Nu wilde mijn baas van me af, maar ik ben er op tijd vandoor gegaan.’ ‘Mijn baas vond me ook te oud, ga met mij mee, ik ben op weg naar Bremen om stadsmuzikant te worden’, zei de ezel. En samen trokken de ezel en de hond verder. Even later zagen ze een zwarte kat zitten, die er niet erg vrolijk uitzag. ‘Ik ben het huis uitgevlucht’, zei de kat. ‘Ik had een heerlijk leventje, maar nu ik niet snel genoeg meer ben om muizen te vangen, wil mijn bazin me kwijt!’ ‘Katten kunnen ’s nachts toch prachtige muziek maken? Ga mee naar Bremen. Met zijn drieën zijn we een geweldig orkest!’, zei de ezel. En zo waren er dus drie dieren op weg naar Bremen. Verderop zat een bontgekleurde haan te kraaien op het hek van een grote boerderij. ‘Kukelekuu…Ik hoorde de boerin zeggen dat ze morgen gasten te eten krijgt. Nu wil ze me in de soep doen. ‘Ga toch met ons mee’, zei de ezel. Nu waren ze met zijn vieren. Ze trokken verder en zongen onderweg een lied:

We zijn al oud maar niet versleten Een ezel, een hond, een kat en een haan En wie het vraagt die mag het weten: Wij kunnen samen de wereld aan!

Bremen bleek verder te zijn dan ze dachten. In een donker bos hielden ze halt voor de nacht bij een klein boshuisje. De ezel gluurde voorzichtig naar binnen. ‘Oei, het is een echt rovershol!’ fluisterde hij tegen de anderen. ‘Ik zie drie rovers. Ze zitten te drinken aan een tafel die vol staat met lekkere dingen.’ ‘Wij lusten ook wel iets,‘ sprak de haan, ‘maar hoe pakken we dat aan?’ ‘We zullen ze laten schrikken’, zei de ezel. ‘Ik heb een idee!’ Hij legde de anderen zijn plannetje uit en even later sprong de hond op zijn rug. De kat ging op zijn beurt op de rug van de hond staan en de haan fladderde omhoog, om helemaal bovenop te gaan zitten. Zo vormden ze een toren van dieren. Dat zag er raar uit in het donker! ’En allemaal zingen’, zei de ezel. De drie rovers schrokken vreselijk van het lawaai en van die grote, donkere gestalte die plotseling naar binnen denderde. Over elkaar heen struikelend, vluchtten ze het huis uit, want ze dachten dat er een verschrikkelijke bosgeest binnenkwam. De vier vrienden gingen aan tafel zitten en lieten het eten zich prima smaken. Na de maaltijd voelden ze pas hoe moe ze eigenlijk waren. Ieder vond een slaapplek die bij hem paste en ze sliepen snel in. Intussen waren de drie rovers weer een beetje op adem gekomen. De hoofdman sprak: ‘Ik weet niet wat dat zojuist was, maar het licht in ons huis is nu uit. En omdat jullie zulke bangerds zijn, zal ik zelf eens kijken of de kust veilig is.’ De roverhoofdman sloop naar het huisje en glipte naar binnen. Alles leek rustig. Toen hij licht wilde maken, zag hij de vurige ogen van de kat, die gloeiden in het donker. De hoofdman dacht dat het brandende kooltjes waren en hield er een lucifer bij. De kat schrok, blies venijnig en krabde de hoofdman in zijn gezicht. Oei, wat schrok die roverhoofdman! Hij rende naar de deur, maar trapte in het donker op de staart van de slapende hond. Die beet hem meteen hard in zijn been!‘Auwauw!’ gilde de man en hij hinkte naar buiten. Daar stond de ezel al klaar en die schopte hem met zijn harde hoeven onder zijn achterwerk. De haan werd wakker van al dat lawaai en kraaide: ‘Kukeleku! Kukeleku!’ terwijl de rover het erf afrende.

Zo hard hij kon, liep hij naar zijn mannen en buiten adem vertelde hij: ‘Mij krijgen ze daar niet meer binnen. Er woont een afschuwelijke heks die me met haar lange nagels heeft gekrabd. Voor de deur staat een man die me heeft gestoken. En buiten op het erf woont een zwart monster dat mij met een knuppel heeft afgeranseld!’ ‘Brrrrr!’ De andere rovers beefden van angst en renden hard weg. De rovers hebben zich niet meer laten zien en het huisje beviel de Bremer Stadsmuzikanten zo goed, dat ze het raam repareerden en er nooit meer zijn weggegaan.

http://www.efteling.com/NL/Over-de-Efteling/Sprookjes-bestaan/Efteldingen-Sprookjes/Lees-hier-alle-Sprookjes/Bremer-Stadsmuzikanten.html

Gouden Gans / Zwaan Kleef aan

Er waren eens een man en een vrouw. Zij hadden drie zoons. De jongste zoon was een beetje een dromer. Zijn broers noemde hem ‘Domoor’. Ze deden dat al zo lang, dan niemand meer wist wat zijn echte naam was. Op een dag werd de oudste zoon eropuit gestuurd om hout te hakken in het bos. Hij kreeg iets te eten en te drinken mee en ging op pad. Onderweg ontmoette hij een kabouter. De kabouter had vreselijke honger en vroeg de jongen om een hapje en een slokje van zijn proviand. Maar de jongen dacht alleen aan zijn eigen trek. Hij stuurde de kabouter weg en ging aan het werk. Tot….. Au! Dat deed pijn. De jongen had zijn eigen arm bezeerd. Snel ging hij naar huis. Vanachter een struik keek de kabouter toe. Hij wist er méér van…

De volgende dag werd de tweede zoon op pad gestuurd. Ook hij had proviand. Onderweg kwam hij dezelfde kabouter tegen. ‘Scheer je weg, bedelaar, ik ben aan het werk.’ Maar…‘Au!’ Ook bij deze jongen ging het mis. Zijn been bloedde erg en hij kon er niet meer op staan. Hij strompelde naar huis. ‘Wie moet er nu aan het werk?’, sprak de arme vader, die zelf niet sterk genoeg meer was. Domoor bood aan het werk te doen. ‘Ach, dat kun jij helemaal niet’, zeiden zijn broers. Maar Domoor drong aan. De volgende dag ging hij op pad. Ook hij kwam de kabouter tegen. ‘Heb je zo’n honger?’, vroeg Domoor. ‘Hier, neem maar zoveel je lust.’ En hij gaf de kabouter al zijn eten en drinken. De dankbaarheid van de kabouter was groot. ‘Ga naar die boom daar, daar ligt mijn cadeau voor jou.’ Domoor ging kijken en vond een gouden zwaan. ‘Als ik jou mee naar huis neem, is het met je gedaan, lieve zwaan,’ zei Domoor, ‘ze zouden al je veren eruit trekken. We gaan op zoek naar een veiliger plaats.’ Domoor besloot naar de herberg te gaan. Hij huurde een kamer waar de zwaan rustig kon slapen. Helaas hadden de drie dochters van de herbergier Domoor en de zwaan gezien. Toen Domoor weer terug ging naar het bos slopen zij de kamer binnen. ‘Kom eens hier zwaantje’, spraken ze. ‘Wij willen wel zo’n mooie gouden veer. Je hebt er toch genoeg.’ Ze begonnen aan de veren te plukken, maar… als door een wonder bleven ze aan de zwaan vastkleven.!

Toen Domoor de volgende dag terugkwam, zag hij in dat de herberg ook geen goede plaats was. Hij pakte de zwaan op en vertrok. En de meisjes? Die moesten mee. Onderweg kwamen ze nog meer mensen tegen. Iedereen had er wel iets over te zeggen, maar zodra ze de meisjes of de zwaan aanraakten, bleven ook zij kleven. Zo werd de stoet langer en langer. De stoet trok het halve land door en onderweg kwamen ze langs een paleis. In dit paleis woonde een mooi maar treurig prinsesje. Ze zat net weer treurig voor zich uit te staren toen ze een lange rij mensen zag langskomen. Wat deden ze raar. Het leek wel of ze aan elkaar vast zaten. En wat deed die jongen voorop met een gouden zwaan onder zijn arm? Voor het eerst in jaren moest het prinsesje lachen. Ze moest zo hard lachen dat alle mensen in het paleis ervan opknapten. Toen Domoor de lachende prinses zag, wilde hij niets liever dan met haar trouwen. Hij vroeg de koning om haar hand. De koning was heel dankbaar voor wat Domoor voor zijn dochter had gedaan. Maar trouwen? Domoor was nu niet bepaald een prins. Hij besloot Domoor een opdracht te geven. ‘Vind iemand die de hele koninklijke wijnkelder kan leegdrinken en daarna nog héél veel brood kan eten. Als dat je lukt, mag je met mijn dochter trouwen.’ Oei…. dat was lastig! Maar Domoor dacht aan de kabouter die hem de gouden zwaan had gegeven. Zou hij kunnen helpen? Direct ging hij terug naar het bos. Toen hij daar aankwam, zat er op de plaats waar hij de kabouter ontmoet had, een man die er zó treurig uitzag, dat Domoor hem meteen vroeg wat eraan scheelde.’Ach jongen,’ antwoordde de man, ‘ik heb toch zo’n vreselijke honger en dorst, daar heb je geen idee van. ‘Dan weet ik wel wat voor je’, zei Domoor. ‘Kom maar met mij mee, dan kun je eten en drinken zoveel je wilt.’ De man sprong blij op en volgde Domoor naar het koninklijk paleis, waar hij prompt de gehele wijnkelder leegdronk. Toen er geen druppel wijn meer over was, begon hij aan het brood. De koning had al het meel uit zijn koninkrijk bijeen laten brengen en daarvan zo’n geweldige broodberg laten bakken, dat de hele binnenplaats van het paleis ermee gevuld was. Maar nog voor de zon onderging, schraapte Domoors vriend de laatste kruimeltjes tussen de stenen vandaan en zuchtte tevreden. Alles was op.

Toen kon de koning niet langer weigeren. De bruiloft werd gevierd en na de dood van de koning erfde Domoor het rijk. Als koning Domoor de Eerste, bestuurde hij het rijk goed en rechtvaardig. De prinses was met Domoor aan haar zijde nooit meer treurig en ze werd door heel het volk bemind. De gouden zwaan kreeg een prachtige vijver in de paleistuin, waar hij nog jarenlang gelukkig rondzwom. Veel mensen kwamen haar bekijken, maar nooit meer trok er iemand aan haar veren. En de kabouter? Die mocht elke zaterdagavond in het paleis een partijtje biljarten met de koning. Waar ze wijn dronken en brood aten tot ze er genoeg van hadden.

http://www.efteling.com/NL/Over-de-Efteling/Efteldingen/Efteldingen-Sprookjes/Gouden-Gans–Zwaan-Kleef-aan.html

de gekroonde eend

Er was eens een klein land dat geregeerd werd door een goede koning. Hij had vier zonen. Deze waren sterk en stoer maar niet zo slim. De koning was al oud en op een dag werd hij ziek. Hij riep zijn oudste zoon bij zich. ‘Jongen, het wordt tijd dat jij koning wordt, maar je moet eerst bewijzen dat je het kan. Binnenkort krijg je een opdracht.’ De zoon begreep het en liet zijn vader rusten. Plotseling landde er een witte eend op de vensterbank bij het open raam. De eend had dringend hulp nodig. ‘Majesteit, er woont bij het meer een reus die alle eenden opeet, kunt u hem niet verjagen?’ Helaas ging dat niet. In plaats daarvan stuurde de koning zijn oudste zoon. Deze ging met veel bombarie naar het huis van de reus. Door al het lawaai hoorde deze hem aankomen. Hij pakte de koningszoon op en stopte hem in een hok. De volgende dag stuurde de koning zijn andere zoons. Maar ook deze pakten het niet zo slim aan en verdwenen ook in het hok. ‘Zal ik eens een kijkje gaan nemen?’, vroeg de eend aan de koning. ‘Ik geloof dat ik een plan heb. Wat denk je, kan een eend een reus verslaan…?

http://www.efteling.com/NL/Over-de-Efteling/Efteldingen/Efteldingen-Sprookjes/De-Gekroonde-Eend.html

De Gelaarsde Kat

Een molenaar liet aan zijn drie zoons als enig bezit zijn molen, een ezel en een kat na. De oudste zoon kreeg de molen, de middelste zoon de ezel en de jongste zoon alleen de kat. De jongste zoon klaagde: ‘Wat moet ik met een kat? Zonder molen en ezel kan ik niet werken. Moet ik soms van de honger omkomen?’ De kat zei: ‘Wees niet bedroefd, baas. Geef mij maar een zak en laat me een paar laarzen maken. U zult zien dat u er heus niet zo slecht aan toe bent!’ De kat kreeg wat hij had gevraagd, deed de laarzen aan, hing de zak om zijn hals, en liep naar een berg, waar een groot aantal konijnen huisde. Hij stopte zijn zak vol distels en zemelen en ging heel stil liggen. Al snel kwam er een konijntje op de lekker hapjes af en kroop in de zak. Trots op zijn buit ging hij naar het paleis van de koning. De kat maakte een diepe buiging en zei beleefd: ‘Kijk eens, Sire, de markies van Carabas (deze naam had hij voor zijn baas verzonnen) heeft mij bevolen u dit konijntje te brengen.’ De koning knikte vriendelijk: ‘Zeg aan uw meester dat hij mij een groot genoegen heeft gedaan!’ Op een andere dag verborg de kat zich in een korenveld en ving twee patrijzen. Weer ging hij naar de koning. En zo bleef de kat maar geschenken brengen aan de koning.

Op een goede dag hoorde de kat dat de vorst met zijn dochter langs de rivier zou gaan rijden. Hij zei tegen zijn meester: ‘Wanneer u mijn raad opvolgt, wordt u een rijk man! U hoeft alleen maar te gaan baden in de rivier, op de plek die ik u zal wijzen. De rest regel ik.’ De ‘markies van Carabas’ deed precies wat de kat hem had verteld. Nauwelijks was hij in de rivier aan het baden of daar kwam de koning aan gereden. De kat begon uit alle macht te schreeuwen. ‘Help, help, de markies van Carabas verdrinkt!’ Ogenblikkelijk stak de koning zijn hoofd uit de koets. Toen hij de kat herkende, die hem zoveel heerlijk wild had gebracht, beval hij zijn dienaren de markies dadelijk te hulp te snellen. Snel liep de kat naar de koets en vertelde de koning dat zijn heer bestolen was: ‘Toen de markies de rivier in sprong voor zijn bad kwamen er dieven die zijn kleren meenamen!’ De koning wist niet dat de kat de kleren stiekem onder een grote steen had verborgen. ‘Dan laat ik nu één van mijn mooiste kostuums voor de markies halen’, sprak de koning. Met deze mooie kleding aan had de jongste molenaarszoon meteen de aandacht van de prinses. De koning, die niet wist dat het om een molenaarszoon ging, zei: ‘Kom, heer Carabas, stap in en rijd met ons mee!’ De kat, verrukt dat zijn plan zo goed slaagde, ging met grote sprongen vooruit en toen hij zag hoe de boeren in het land aan het maaien waren, riep hij luid: ‘Hé mensen, daar komt de koning aan en als jullie niet zeggen dat al dit maailand aan de markies van Carabas behoort, dan zwaait er wat!’ Toen de koning vroeg aan wie het land toebehoorde, spraken de boeren keurig: ‘Aan de markies van Carabas!’ De kat, die nog steeds vooruit rende, ontmoette nu een paar korenmaaiers. ‘Hé mensen,’ riep hij luid, ’daar komt de koning aan en als jullie niet zeggen dat al dit koren aan de markies van Carabas behoort, dan zwaait er wat!’ Toen even later de koning vroeg van wie toch al die mooie korenvelden waren, riepen de korenmaaiers keurig: ‘Van de markies van Carabas, Sire!’ En zo ging de kat maar door. De koning, die de leugens niet doorhad, was erg onder de indruk over alles wat de markies van Carabas bezat. In werkelijkheid behoorde al het land echter toe aan een reus. Toen de kat, die nog steeds vooruit liep, bij het kasteel van de reus aankwam, viste hij uit wat voor type die reus wel was en of hij kon toveren. Daarna liet hij zich bij de reus aandienen en zei deftig: ‘Heer, ik wilde niet in de omgeving van uw kasteel komen, zonder de eer te genieten u te ontmoeten.’ De reus ontving hem zo vriendelijk als voor een reus mogelijk was. ‘Men heeft mij verteld,’ zei de kat, ‘dat u zeer begaafd bent. Kunt u zich werkelijk in allerlei dieren veranderen?’ ‘Ja zeker’, antwoordde de reus bars, en prompt veranderde hij in een enorme leeuw. ‘Ongelooflijk,’ zei de kat, ‘ik ben werkelijk onder de indruk. Maar kunt u zich als grote reus ook veranderen in een klein dier, zoals een muis? Dat lijkt me haast onmogelijk.’ ‘Onmogelijk?’, tierde de reus, en op hetzelfde ogenblik trippelde er een kleine, grijze muis over de vloer. Meteen had de kat hem te pakken en… at hem op.

Intussen was de koning het prachtige kasteel genaderd en wilde het graag vanbinnen bekijken. De kat liep hem vlug tegemoet, maakte een buiging en zei: ‘Wees welkom, Sire, in het kasteel van de markies van Carabas.’ Hoogst verwonderd keerde de koning zich tot de markies en vroeg: ‘Is dit ernst? Bezit u ook al dit kasteel?’ ‘Kom toch binnen’, sprak de kat. In het kasteel stond een heerlijke maaltijd te wachten. Die was natuurlijk van de reus geweest, maar dat vertelde de kat niet. Onder het eten sprak de koning, die nog altijd erg onder de indruk was van zoveel rijkdom: ‘Als u wilt, markies van Carabas, kunt u met mijn dochter trouwen.’ Met een diepe buiging dankte de markies hem en nog diezelfde dag werd de prinses zijn vrouw. ‘Ik zei toch dat u er met mij niet zo slecht aan toe was’, fluisterde de kat zijn meester zachtjes toe. De kat werd Opperkasteelmeester en bleef de markies nog jarenlang trouw.

bron: http://www.efteling.com/NL/Over-de-Efteling/Efteldingen/Efteldingen-Sprookjes/De-Gelaarsde-Kat.html

 

De Trollenkoning

Er was eens een heel grote, boosaardige trol. Koning Kobold was zijn naam. De slechterik had zichzelf tot koning uitgeroepen en iedereen moest naar hem luisteren. In het bos woonde ook een aardige trol. Hij was wel meer dan zeshonderd jaar oud en hij kon de toekomst voorspellen. Hij was geliefd bij zowel mensen als trollen. Ze kwamen hem vaak om raad vragen. Voor de oude, holle boom waarin hij woonde, stond een enorme kei. Op de kei lag een wijzerplaat met daarop alle sterrenbeelden. Wanneer je de wijze trol om raad wilde vragen, hoefde je alleen maar de wijzerplaat op jouw sterrenbeeld te zetten.

Op een sombere herfstdag kwam er een prachtig meisje naar de wijze trol. ‘Beste mijnheer trol,’ sprak ze zacht, ‘ik ben prinses Adelheid. Ik kom uit het land in het zuiden. Ik kom u om raad vragen. Ik ga binnenkort trouwen met prins Wikke. We houden veel van elkaar. Maar vader denkt dat hij misschien niet dapper genoeg is om mij te beschermen.’ ‘Ik zie dat uw sterrenbeeld maagd is. Wat is het sterrenbeeld van prins Wikke?’ vroeg de oude trol. ‘Kreeft’, antwoordde de prinses, waarop de trol glimlachend zei: ‘Aha! Dan komt het helemaal goed!’ En hij sprak plechtig:

Een koningskoppel Kreeft en maagd Zij wonderschoon Hij onversaagd!

‘Keer terug en vertel uw vader dat prins Wikke en u voor elkaar bestemd zijn.’ Opgelucht nam de prinses afscheid. Maar ze was nog niet uit het zicht verdwenen of de oude trol kreeg een naar voorgevoel. Hij deed zijn ogen dicht en het leek of de toekomst hem iets vertelde. Toen floot hij een speciaal melodietje. Meteen vloog er een uil uit de boom, die vlak voor hem op de grond landde. ‘Ik heb je nodig, mijn trouwe vriend’, zei de trol. ‘Vlieg pal zuidwaarts en haal prins Wikke. Snel!’ De volgende ochtend meldde zich opnieuw iemand bij de holle boom. Het was de kleinste trol van allemaal, Tore. Hij draaide zenuwachtig aan de wijzer op de steen. ‘Het is heel erg!’ riep Tore . ‘Koning Kobold heeft een prinses gevangen genomen! Ze zit gevangen op het moeraseiland. Hij wil met haar trouwen!’ De oude trol zei: ‘Dat moet prinses Adelheid zijn! Laten we niet wachten, Tore. Jij gaat haar bevrijden. Nu meteen. Luister…’

Midden in het trollenbos lag een griezelig moeras. Het stinkende water was troebel en onheilspellend groen. Wie er in viel, verdronk. Op een klein eiland in het moeras stonden wat bomen en struiken. Je kon er alleen komen via een lange rij groene, glibberige stenen. Een van die stenen kon kantelen. Als je daarop zou staan zou je vallen en verdrinken. Die ene kei moest je dus altijd overslaan, maar welke was het? Kleine Tore wist het. Het was de twintigste steen. De oude trol had het hem verteld. Tore haastte zich naar het meer.
Op het eiland zat Prinses Adelheid verdrietig te wachten tot Koning Kobold met haar zou trouwen. Ze gruwde als ze aan hem dacht. Opeens zag ze een klein trolletje op het keienpad. Het was Tore. Hij sprong voorzichtig van steen naar steen en telde hardop: ‘Achttien, negentien…’. De twintigste sloeg hij over. Tore riep: ‘Prinses, kom snel, ik kom je bevrijden! De oude trol, die in de holle boom woont, heeft me gestuurd!’ Prinses Adelheid bedacht zich geen moment en rende met hem mee naar de waterkant. Steen voor steen, zo snel als ze konden, probeerden ze het moeras over te steken. Ze hadden pas vijf of zes stenen gehad toen Koning Kobold vanuit het niets aan de overkant verscheen. Terwijl hij op de eerste steen stapte, bulderde hij: ‘Wie probeert mijn bruid te stelen?’ De koning was woedend en nam twee, soms drie stenen tegelijk. Tore en de prinses stonden stokstijf van angst. Even verloor de grote trol bijna zijn evenwicht op een heel gladde kei. Toen sprong er plotseling iemand van achteren op zijn rug. Het was prins Wikke. Hij hield twee armen stevig om de nek van Koning Kobold. Na een korte worsteling duwde de trol de prins van zich af. Wikke viel regelrecht het zompige water in. Maar prins Wikke kon zich nog net aan een van de stenen vastklemmen. Prinses Adelheid slaakte een gilletje van blijdschap. Door de worsteling en het gilletje raakte Koning Kobold uit balans. Hij kon nog net een stap nemen. Helaas voor hem stapte hij op de twintigste steen. Koning Kobold viel in het water en al snel was er niets meer te zien. Prins Wikke, prinses Adelheid en Tore gingen voorzichtig naar de kant. Daar vloog de prinses haar prins in de armen. ‘Mijn moedige prins. Hoe kom jij nou hier?’ ‘Dankzij hem’, zei prins Wikke en hij wees omhoog. Daar cirkelde de uil door de blauwe lucht. ‘Hij heeft me gewaarschuwd. Ik ben meteen gekomen.’Het goede nieuws ging snel en alle trollen waren blij dat ze van hun gemene leider verlost waren. Ze konden nu zelf een nieuwe koning kiezen. Dat werd natuurlijk de oude trol. Diezelfde avond nog werd hij gekroond. De volgende ochtend namen de prins en de prinses hartelijk afscheid van Tore en de Trollenkoning. Prins Wikke had bewezen dat hij dapper genoeg was om met zijn prinses te trouwen en samen leefden ze nog lang en gelukkig.